Een man start als Junior Incassomedewerker bij een
bedrijf. Hij tekent een jaarcontract zonder proeftijd en zonder recht om
tussentijds op te zeggen. Binnen een maand zegt de man zijn contract echter
toch op. De werkgever start hierop een zaak bij de kantonrechter en wordt in
het gelijk gesteld. De man moet zijn voormalige werkgever ruim 8.600 euro
betalen en draait ook op voor de proceskosten van 800 euro.
De man heeft bij het ondertekenen van zijn
arbeidsovereenkomst het personeelshandboek van het bedrijf ontvangen. Hierin
staat dat er bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geen proeftijd of
mogelijkheid bestaat om tussentijds op te zeggen als dit niet in de
arbeidsovereenkomst
is overeengekomen.
Als hij binnen een maand toch al opzegt, gaat de werkgever
niet akkoord met de opzegging. Het bedrijf vraagt de kantonrechter vervolgens
om een vergoeding toe te kennen, omdat de opzegging volgens haar niet
rechtsgeldig is. De vergoeding die wordt gevorderd, is even hoog als het
brutoloon dat de man gedurende de contractperiode zou verdienen: 23.760 euro
bruto, inclusief vakantietoeslag.
Geen wettelijke proeftijd
De man geeft in zijn verweer aan dat de HR-manager tegen hem
heeft gezegd dat er een wettelijke proeftijd zou gelden en dat er hierover dus
niets hoefde te worden afgesproken in de arbeidsovereenkomst. Dit wordt door de
HR-manager tegengesproken. Zij licht bij de kantonrechter verder toe over het
waarom het juist een bewuste keuze is geweest om géén opzegtermijn of proeftijd
overeen te komen. De Junior Incassomedewerker heeft hier weinig tegen in te
brengen. Ook is er geen sprake van een wettelijke proeftijd. De man vraagt de
kantonrechter om een eventuele vergoeding aan de werkgever te matigen.
De kantonrechter oordeelt dat de opzegging van de
arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is. Hij geeft ook aan dat van de man
verwacht had mogen worden, dat hij nader zou hebben toegelicht hoe het gesprek
met de HR-manager exact is verlopen, welke vragen hij heeft gesteld en welke
antwoorden hij daarop heeft ontvangen. Verder ontbreekt volgens de
kantonrechter een verklaring waarom de man, als de HR-manager gezegd zou hebben
dat er een wettelijke proeftijd gold, hier niet meer op is teruggekomen.
Bijvoorbeeld nadat hij dit voor zichzelf had uitgezocht. Dit had wel verwacht
mogen worden van iemand die werkzaam is als Junior
Incassomedewerker.
Vergoeding verschuldigd
In de wet staat dat een partij die niet rechtsgeldig heeft
opgezegd, zoals in deze zaak, aan de ander een vergoeding verschuldigd is. Die
vergoeding is gelijk aan het bruto salaris over de termijn dat de
arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben als deze van rechtswege zou zijn
geëindigd. Maar de wet geeft de kantonrechter ook de mogelijkheid om deze
vergoeding te matigen. In deze zaak vindt de kantonrechter een matiging tot
vier keer het bruto maandsalaris gerechtvaardigd.
Hiervoor heeft hij de volgende omstandigheden meegewogen: De
man had in dit geval beter moeten opletten of er een mogelijkheid was om op te
zeggen. De vergoeding die wordt toegewezen bevat dan ook een stukje leergeld.
De jongeman heeft tijdens de zitting ook uitgelegd dat hij op dit moment niet
over een groot vermogen beschikt en ook nog een studieschuld heeft. Daarnaast
speelt de korte duur van het dienstverband een rol. Daardoor is er geen sprake
van een maandenlange investering voor wat betreft het inwerken van een
medewerker. Verder is ook de opleiding die de man bij het bedrijf zou volgen,
nog niet gestart. Gelet op deze omstandigheden acht de kantonrechter een
vergoeding van vier bruto maandsalarissen redelijk.
Meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met
RechtNet Advocaten via
[email protected] of bel naar 073-6154311.